Met welke boten hebben de waterscouts door de jaren heen gevaren? Ontdek de historie van de Lelieschouw, Lelievlet en meer.
Tijdens de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog verschenen op de tekentafels spoedig nieuwe ontwerpen van zeiljachten en boten. Veel bestaande schepen waren in slechte staat van onderhoud of waren verloren gegaan.
Het Watersportverbond stond in deze tijd voor de keuze van een nieuwe en moderne jeugdboot. De zeeverkenners daarentegen kozen in 1949 voor een traditionele eenheidsboot: de Friese schouw. In dit artikel zal vooral ingegaan worden op de twee belangrijkste typen schepen binnen scouting: de Lelieschouw en de later geïntroduceerde Lelievlet.
De padvinderij is veranderd. Met 125.000 jeugd- en kaderleden is Scouting Nederland, ontstaan uit een fusie van vier organisaties in 1973, springlevend. Het woord padvinderij is sindsdien ingeruild voor scouting. Ongeveer 10% van de jongens en meisjes (10-21 jaar) binnen scouting behoort tot deze waterscouts, de tegenwoordige verzamelnaam voor zeeverkenners, matrozen der wilde vaart en loodsen.
De waterscouts zijn al jaar en dag een bekende verschijning op de Nederlandse binnenwateren. De scouts zorgden verder voor de ondersteuning van nautische evenementen als Sail '90 en de Dutch Classic Yacht Regatta in 1991. Zij maken sinds de jaren '50 gebruik van standaardtypen boten, eerst was dat alleen de lelieschouw, vanaf 1956 ook van de Lelievlet.
Het zeilen en roeien is voor de waterscouts een extra dimensie bij het (vernieuwde) "spel van verkennen", zoals dat in het begin van deze eeuw door Lord Robert Baden-Powell is bedacht. In de wintermaanden wordt naast het onderhoud van boot en tuig ook gedaan aan een andere sport, pionieren, E.H.B.O. en het maken van zwerftochten. Deze behoren tot de totaal veertien "activiteitengebieden" die scouting kent.
Veel aandacht wordt besteed aan nautische zaken met betrekking tot het varen in een roei-, zeil-, of een motorboot. Zo zijn er cursussen voor navigatie en het onderhoud van de (motor)boten.
Geen schip onder de vlag van Scouting Nederland mag het water op zonder dat iemand aan boord is met een Machtiging Bootleiding (MBL). Er zijn MBL's voor roeien, zeilen en motorvaren. Het type MBL-ZA1 (zeilen) is vergelijkbaar met het zeildiploma A van het K.N.W.V., tevens bestaat met dit MBL de mogelijkheid het diploma "kielboot 1" van de C.W.O. aan te vragen.
Het idee voor een eenheidsboot voor de zeeverkenners kwam van schipper A.G. Duijff van de Haagse Waterscouts (H.W.S.), welke behoorde tot de toenmalige Nederlandse Padvinders Vereniging (N.P.V.). De H.W.S., opgericht in 1930, was na de oorlog de grootste zeeverkennersgroep in Den Haag. In 1970 fuseerde de groep met de Pallandtgroep uit Scheveningen.
De zeeverkenners in Nederland voeren na de oorlog met sloepen van de Rijnvaart Centrale, houten Noorse vletten, afgedankte reddingssloepen of met zeilboten, zoals de "BM". Door de sterke groei van het aantal zeeverkennersgroepen in de jaren vijftig steeg de vraag naar meer varend materiaal. Bovendien zou het met een eenheidsboot mogelijk zijn om tussen de groepen onderlinge (zeil-)wedstrijden te houden.
De Friese schouw bleek het best te voldoen aan de gestelde criteria. Dit traditionele "Hollandse" schip is prima voor het dagzeilen. Van de Friese schouw bestaan drie klassen: de kleinste tot 4,75 meter lengte, een middenklasser tot 5,50 meter en een grote klasse van meer dan 6 meter lengte. Dit grootste type was oorspronkelijk een wedstrijdschouw met een gaffeltuig.
Toen Duijff het plan opperde voor een eenheidsboot kreeg hij aanvankelijk veel weerstand van andere zeeverkennersleiders. Niettemin kreeg hij steun van N.P.V.-secretaris hopman H. Spijkerman. Dit resulteerde uiteindelijk in de huur van het Boterhuyseiland op de Kaag, dat sinds 1950 in gebruik is als kampeerterrein en ligplaats voor de waterscouts uit de Haagse regio.
Schipper Stoffer vond de werf van Nicolaas de Vries in Sneek bereid tien schouwen te maken voor een zeer schappelijke prijs. De eerste vijf exemplaren werden begin 1949 besteld. "De 6 meter schouw herleeft", berichtte het Sneeker Nieuwsblad op 24 juni 1949.
De Lelieschouw heeft een knikspant met vlakke bodem en is gebouwd van 2,5 cm Iroco teakhout volgens de tekeningen van Olij uit Sneek.
| Eigenschap | Specificatie |
|---|---|
| Afmetingen | Lengte 6,00 m | Breedte 1,80 m | Holte 0,95 m |
| Diepgang | Ca. 0,35 m (zonder gestoken zwaarden) |
| Tuigage | Tjottertuig (fok + grootzeil met kromme gaffel) - totaal 16 m² |
| Zeilmaker | Fa. D. Gaastra (Sneek, 1949) |
Op 17 juli 1949 werd in Leiderdorp de helmstok van de eerste schouw overhandigd aan het jongste verkennertje van de Haagse Waterscouts. De boot kreeg de naam "Slamat", vernoemd naar het koopvaardijschip van de Rotterdamse Lloyd dat in april 1941 bij Kreta tot zinken was gebracht.
De boot maakte een geslaagde proefvaart over de Kagerplassen en werd in het maandblad voor de padvinder omgedoopt tot "Dreamship no. 1".
Meer dan veertig jaar later zijn van de tien oorspronkelijke houten Lelieschouwen nog negen boten in de vaart! Ze vormen het pronkstuk van de betreffende scoutinggroepen en worden met veel zorg onderhouden en gebreeuwd door loodsen en leiding.
Vanwege het grote succes werd besloten om stalen boten te bouwen. Staal was goedkoper en via lastechniek makkelijk te verwerken. De eerste serie stalen schouwen (nummers 11 t/m 20) werd gebouwd bij de firma Mulder en Rijke voor ƒ 850,- per stuk.
Stalen boten bleken robuuster en onderhoudsvriendelijker voor de jeugdleden. Bovendien werden de boten uitgerust met vier luchtkasten om ze onzinkbaar te maken. In totaal zijn er tachtig stalen schouwen door verschillende werven geleverd aan scouting.
De eerste stalen schouwen moesten klaar zijn voor het eerste Nationale Waterkamp (NaWaKa) in Terhorne ter ere van het 40-jarig jubileum van de padvinderij. Om de boten op tijd op het kamp te krijgen, voer schipper Duijff met verkenners in een slepende tocht vanuit IJmuiden via Lemmer naar de Terhornser Poelen.
Tijdens het kamp werd een indrukwekkende vlootschouw gehouden met maar liefst 750 boten, aangevoerd door zes houten Lelieschouwen met hun karakteristieke licht beschilderde romp.
In de loop der jaren onderging de schouw diverse vernieuwingen. Houten mastkokers werden vervangen door staal. Sinds 1977 werd de constructie vereenvoudigd om de boten betaalbaar te houden:
In 1956 verzocht Schipper Stockman (uit Breda) aan scheepsbouwer Teunis Beenhakker in Kinderdijk om een vlet te ontwerpen die voldeed aan drie duidelijke eisen:
Na proefmodellen van 4,80 m en 5,60 m werd gekozen voor het 5,60 meter model. Het schip werd sloepgetuigd met een standaard gaffelzeil en fok (totaal 12,25 m²). De lelievlet werd snel herkenbaar aan het zeilteken met de Franse lelie en de letter "V".
De allereerste Lelievlet met zeilnummer 1 is tot op de dag van vandaag nog steeds in de vaart bij scoutinggroep Titus Brandsma uit Breda!
De Lelievlet groeide uit tot de onbetwiste standaardboot van de Nederlandse waterscouts, met momenteel ruim 1.300 exemplaren in de vaart. Ook in België, Ierland en de Nederlandse Antillen varen deze vletten rond.
Tijdens de Sneekweek van 1987 werd de Lelievlet door Stichting Sneek Promotion uitgeroepen tot "Boot van het Jaar" ter gelegenheid van het in de vaart brengen van het 1200e exemplaar (de "Zeerob" van scouting Greate Pier).
Naast de schouwen en vletten is binnen scouting gewerkt aan nieuwe scheepstypen, zoals de stalen Leliejol (Juniorvlet) (voor jongere verkenners) en grotere seniorenboten voor de Wilde Vaart en Loodsen (zoals de door Jaap Kramer ontworpen boot waarop onder een dektent overnacht kan worden).
Ondanks nieuwe ontwikkelingen blijven de Lelievlet en Lelieschouw de onbetwiste ruggengraat van de Nederlandse waterscoutingvloot.